Je ruikt het bijna nog: die zware geur van sigarenrook, het zachte gekraak van leren stoelen, en de warme gloed van een filmprojector in een kleine dorpsbioscoop. Afgelopen weekend herbeleefde ik dat gevoel met een hervertoning van Fanfare, de klassieker van Bert Haanstra.
Hoewel de film officieel uit 1958 komt, leefde Fanfare in de jaren ’60 voort als hét voorbeeld van typisch Nederlandse cinema: kneuterig, droogkomisch, en toch vol vaart. Het verhaal over twee rivaliserende fanfares in Giethoorn is simpel, maar raak. De beelden zijn nostalgisch, het tempo charmant langzaam. En de muziek? Die blijft dagenlang in je hoofd.
Wat me vooral opviel was hoe Fanfare ondanks z’n eenvoud nog steeds werkt. Geen grote plotwendingen, geen special effects. Alleen menselijkheid, herkenbaarheid en een beetje Hollandse chaos.
