De jaren 60 waren voor de Nederlandse filmwereld een overgangsperiode. Terwijl Hollywood zich opmaakte voor de New Wave en in Frankrijk de camera’s op straat verschenen, bleef de Nederlandse cinema aanvankelijk trouw aan de toneelmatige stijl van de decennia ervoor.
Films als Dorp aan de rivier (1958, genomineerd voor een Oscar) en Het Wonderlijke Leven van Willem Parel (1955) kregen in de jaren 60 nog volop publiek, maar tegen het einde van het decennium begon er iets te verschuiven. Regisseurs als Fons Rademakers en Wim Verstappen wilden meer. Ze experimenteerden met maatschappijkritiek, nieuwe cameratechnieken en gewaagde thema’s.
Een goed voorbeeld hiervan is Ik kom wat later naar Madra (1965) – minder bekend, maar gedurfd in toon. Ook de invloed van televisie werd merkbaar: het publiek raakte gewend aan snellere vertellingen en directe communicatie, iets wat de filmindustrie langzaam moest inhalen.
De jaren 60 vormden daarmee een brug: tussen het trage dorpsleven van Fanfare en de vrijpostige cinema van Blue Movie (1971). Wie goed kijkt, ziet de kiem van de moderne Nederlandse film precies in dit decennium ontstaan.
